Introductie
In het eerste deel van week vijf leer je wat media zijn. Je ontdekt welke soorten er bestaan en met welke het Grafisch Lyceum Rotterdam zich bezighoudt. Je maakt kennis met non-verbale communicatie en onderzoekt jouw eigen mediaconsumptie én -productie.
Leerdoelen
Aan het einde van deze week kun je:
In je eigen woorden vertellen wat een medium is;
Voorbeelden geven van verschillende oude en nieuwe media;
Voorbeelden noemen van media-consumptie en -productie;
Verschillende vormen van non-verbale communicatie herkennen;
Kritisch en objectief je eigen mediagebruik analyseren.
Bekijk hier de Studio Slides presentatie!
Media bestaan overal om ons heen. Al sinds de vroegste beschavingen zoeken mensen naar snellere, effectievere en leukere manieren om met elkaar te communiceren. Dat worden er steeds meer; tegenwoordig worden we op één dag met meer media-uitingen geconfronteerd dan ooit in een heel mensenleven!
Goede mediavormgevers slagen erin om in die media-chaos toch de aandacht te pakken van de juiste doelgroep en deze vast te houden. Een communicatieboodschap bereikt ons steeds vaker ‘crossmediaal’: via meerdere mediakanalen en op meerdere momenten. Daarbij worden zowel oude (eenrichtingsverkeer) als nieuwe media (interactief) ingezet.
Wij consumenten zijn in toenemende mate zelf producenten geworden van media-uitingen. Denk aan Tiktok-filmpjes, Snapchat en memes, maar ook aan een zorgvuldig opgestelde Vinted-advertentie, Minecraft-wereld of een eenvoudig Whatsapp-berichtje met emoticons. Het gebruik van AI stelt mensen in staat om ‘zelf’ vorm te geven. Professionele mediavormgevers worden echter ingehuurd om een specifiek doel te bereiken en passen daar het concept, de vormgeving en crossmediale aanpak bewust op aan.
Op het Grafisch Lyceum Rotterdam leiden we studenten op om vakkundig vorm te geven aan:
gedrukte media (boeken, tijdschriften, flyers, packaging, bestickering,..)
digitale media (websites, apps, games, ..)
audiovisuele media (film, animatie, video,..)
audiomedia (radio, podcast, muziek, ..)
hybride media (augmented reality, immersive experience, stage-design,..)
Tijdens jouw opleiding zul je steeds meer ontdekken waar jouw voorkeuren en kwaliteiten liggen.
Wat is het doel?
Je ontwikkelt een breder begrip van het concept 'media'. Je herkent verschillende vormen van non-verbale communicatie.
Wat ga je doen:
Stap 1. Vorm groepjes van drie studenten. Studenten A & B observeren student C en letten daarbij op verschillende vormen van non-verbale communicatie. Student C kan bewust kiezen voor een bepaalde lichaamshouding, gelaatsuitdrukking, afstand, stemgeluid etc. maar dat hoeft niet.
Stap 2. Studenten A & B noteren hun bevindingen individueel, zonder overleg en zo specifiek mogelijk. Maak daarbij gebruik van het formulier (linkje onder de afbeelding)
Stap 3. Studenten bespreken met elkaar de uitkomsten. Welke overeenkomsten en verschillen vallen op? Met welke observaties is student C het wel eens en met welke niet? Hoe ontstaan de verschillende interpretaties?
Stap 4. Wissel van samenstelling en herhaal!
Voor de nabespreking:
Wat doe je bewust en wat onbewust?
Welke invloed hebben subculturen op non-verbale communicatie?
Hoe ontstaat verwarring bij non-verbale communicatie?
Hier vind het invulformulier
Opdracht 2A Mijn Mediagebruik
(individueel)
Wat is het doel?
Je brengt in kaart op welke manieren jij media consumeert én produceert.
Wat je je doen?
Vul individueel het formulier zo specifiek en uitgebreid mogelijk in. Dus niet ‘games’ maar wel ‘Roblox’ en ‘Minecraft’. Niet ‘verpakkingen’ maar wel ‘verpakking hagelslag’, ‘AH-jam’, ‘roomboter’, ‘Dorito-chips’, etc...
Bespreek de uitkomsten met elkaar. Twee- drietallen of klassikaal. Welke overeenkomsten en verschillen vallen op? Vul aan wat je vergeten was.
Hier vind het invulformulier
Opdracht 2B : Ons mediagebruik
(klassikaal)
Wat is het doel?
Je brengt gezamenlijk in kaart op welke manieren de klas media consumeert en produceert.
Wat je je doen?
Noteer op twee grote velen (A1/A0) papier de begrippen zoals deze zijn aangegeven in het lesmateriaal: ‘consumptie’, thuis’, ‘onderweg’, ‘op school’ en ‘productie’, ‘oude media’ en ‘nieuwe media’. Schrijf individueel voor elk begrip zo specifiek mogelijk iets op een post-it.
Dus niet ‘games’ maar wel ‘Roblox’ game en ‘Minecraft wereld’. Niet ‘verpakkingen’ maar wel ‘verpakking hagelslag’, ‘AH-jam’, ‘roomboter’, ‘Dorito-chips’, etc.
De docent vraagt student om één voor één de post-its op de juiste plek te plakken. De klas corrigeert eventueel wanneer de verkeerde plek wordt gekozen. Welke overeenkomsten en verschillen vallen op? Vul met elkaar aan wat vergeten is.
Voor de nabespreking:
Wat zijn voor- en nadelen van oude en nieuwe media?
Welke keuzes maak je wanneer je mediauitingen produceert?
Wat is het verschil tussen een ‘prosument ‘en een mediavormgever?
Wat zorgt ervoor dat iets onze aandacht krijgt?
Wanneer haken we af?
Wie maakt zich zorgen om mediagebruik?